
Brommel
Trol-gids
Een grote, brommelige trol met een verlegen hart. Achter zijn gegrom zit een vriend die alleen even gezien wil worden.
Over Brommel
Iedereen rent weg voor Brommel, en daar is hij stiekem verdrietig van. Daarom had hij alle muziek en alle lach van de vallei in een grote glazen bol gevangen: als niemand hem zag, wilde hij ook niemand horen. Tot Lou níet wegrende, maar gewoon hallo zei. Onder al dat gebrom zit een zacht hart dat het liefst koekjes bakt en oorkappen knutselt voor wie het nodig heeft.
Uit het dagboek
Grmpf. Ze stond voor de gouden poort te trappelen alsof het pakjesavond was. Nog niet, zei ik. Sommige deuren mag je maar één keer voor het eerst opendoen — en die ene keer mors je niet. Morgen, kind. Als iedereen er is.
Grom grom. Voor het eerst keek ik niet knorrig — ik kon er niks aan doen. Het hele huis vol, en zij die rustig naar de poort liep, namens iedereen. Ze stak haar voet uit. En trok hem terug. Nog niet, wist ze zelf. Goed zo, kind. Tot na de zomer. Daar krijg ik bijna een brok van. Bijna.
Mmmpf. De vlek die er weken zat — weg. Helemaal weg, de balk weer heel en gloeiend. Ze koos het hummeltje boven het Hart. De poort staat nu op een kier, geduldig, zonder haast. Nog niet, zei ik. Maar nu weet ze waaróm nog niet. Mmmpf. Knap, voor zo'n klein ding.
Grmpf. Het huis is bijna af. Alleen de drempel mist nog — de plek waar binnen en buiten elkaar raken, die zegt: hier begin je thuis te zijn. De poort gloeit warmer dan ooit. En dán komt het erop aan, kind. Onthoud wat ik je vertelde. Over geven, en over houden. Maar ze luisterde maar half. Daar ben ik bang voor.
Mmmpf. Mees kwam niet via Lou binnen — hij kwam via de Dromenvanger, helemaal vanuit zijn eigen stad. Daar is dat web voor gemaakt, weet ze nog? Het vindt ze. Het brengt ze. En toen flikkerde er nóg iemand voorbij, een meisje met bergen achter zich. Wie dat is, moet zij zelf ontdekken.
Mmmpf. Deze grijze vlek komt niet van buiten, kind. Niet van kinderen die stopten met dromen. Deze maak je zelf — van binnenuit. Trots zijn óp iets mag. Maar iets helemaal voor jezelf willen houden, dáár wordt het grijs van. Die vlek wrijf je niet weg met je handen. Alleen met je hart.
Grmpf. Een gouden poort verscheen op het pad, en natuurlijk wilde ze er meteen doorheen. Nee, zei ik. Niet jij moet binnen. Het moet eerst een echt thuis worden. Ze keek me aan alsof ik gek was. Maar ze probeerde het niet. Goed zo, kind.
Mmmpf. Ze bouwde een huisje-in-een-huisje voor de allerkleinste, en spreidde haar eigen Dekentje klein uit in dat bedje. De kleintjes dromen het allermooist, maar iemand moet een veilig plekje voor ze klaarmaken. Telkens als er iets bíjkomt voor een ánder, gaat het pad een stukje verder open. Onthoud dat verschil, kind.
Grom grom. Onder water, met mijn voeten in het zand van de zeebodem. Ja, ik hoor daar ook thuis — dat is het voordeel van oud en knorrig zijn, niemand verwacht dat je érgens niet hoort. Het gouden licht weerspiegelde zelfs op de golven. Het reikt verder dan ze denkt, die kleine. Veel verder.
Mmmpf. Haar oude speelgoed houdt nu de muren van het Droomhuis overeind — een treintje, een giraf zonder nek, een tol die niet meer wil. Wat je weggeeft, draagt mee wat je hebt gevoeld. En Bobbel? Die wordt iets veel beters. Dat zie ze later wel.
Grmpf. Ze veegde de modder van de eerste tegel en eronder gloeide het. Een huis begint vaak met iets lelijks, kind — eerst het vieze, het onderste. Er bleef één grauw plekje. Dat trok pas bij toen ze ophield met boos zijn op die jongens. Onthoud dat maar.
Mmmpf. Er staan ineens vier paaltjes op de lege plek, met een touwtje ertussen. Wie ze neerzette? Niemand. Of iedereen. Hier komt iets te staan, en zelfs ik weet nog niet wat. Maar de naald wijst van deze plek naar dat verre licht. Dat zegt genoeg.
Grom grom. Ze vroeg wat dat licht was. Ik zei: niets voor vannacht. En dat was niet gelogen — maar het was ook niet de hele waarheid. Sommige dingen blijven heel lang stil, kind. En dan, op een nacht, worden ze wakker. Slaap maar. Je hebt je slaap straks nodig.
Mmmpf. Ik snoot mijn neus in iets dat verdacht veel op een klein boompje leek. Ik ben Brommel, zei ik. Ik ben niet goed in praten. Maar ik ben hier. En dat bleek precies het sterkste wat een oude trol kon geven.
Grmpf. Ik heb iets bewaard. Lang. Een bal van droomlicht, gevoed met geduld en stilte en — nou ja — een beetje liefde, al zeg ik dat niet graag hardop. Het bleek de kern van de Dromenvanger. Ik wist alleen dat het bij Lou hoorde.
Mmmpf. Er scheurde een kloof dwars door de tuin. Ik tilde de stenen — kussens, voor mij — en samen bouwden we een brug. Scheef en hobbelig. Lou noemt 'm perfect. Nou ja. Perfecte dingen zijn saai, zegt ze. Misschien heeft ze gelijk.
Mmmpf. Het kind was ziek en klein en alleen. Dus maakte ik droomsoep, met honing uit de Gouden Bijenkorf. Niet doorvertellen dat een trol ook zorgen kan. Grom. Slaap zacht.
Grom grom. Ik heb soep gemaakt. Droomsoep, van maanbloemen en sterrenstof, recept van mijn oma — voor als de tuin moe is, of een meisje ziek. Ik herkende het, die moeheid van doen-alsof-je-sterk-bent. Drink maar, kind. Niks aan de hand.
Grom grom. Niemand gaf nog om geven, alleen om krijgen, en ik voelde me nutteloos. Tot Lou me liet zien dat iets weggeven van je hart ook iets terugbrengt. Mmpf. Lieve meid.
Grmpf. Brommel was grijs als steen, want niemand komt nog om te géven, alleen om te halen. En toen legde dat kind haar eigen schat in mijn hand. Mmmpf. Een oude trol voelde weer. Gewoon. Niks aan de hand.
Mmmpf. Daar stond ik dan, in de grote kring bij de lichtende deur, tussen al die vrienden. Een knorrige oude trol, helemaal vooraan. Wie had dat gedacht. ...Grmpf. Het is goed zo.
Grom grom. We bouwden een dam voor een zwembadje voor de kleine trollen — we wisten niet dat de hele vallei dan verdorde. Stom van ons. Mmmpf. Maar Lou was niet boos. 'Jullie wisten het niet,' zei ze. We hebben de dam meteen aangepast. Een trol kan ook sorry zeggen.
Grmpf. Er kwam een meisje bij mijn grot. Ze rende niet weg — niemand blijft ooit staan, zij wel. Misschien laat ik haar binnen. Eén keer. Mmpf.
Grmpf. Een dagboek, zegt Pippa. Wie heeft daar nou tijd voor… Vooruit dan. Eén regel. Voor de kinderen. Niet doorvertellen dat ik het stiekem leuk vind.
Het kind kwam terug. Mét koekjes. Voor mij. Ik wist even niets te zeggen, dus bromde ik maar wat. Mmpf. … Fijn was het.
Grmpf. Een meisje kwam zomaar mijn grot in. Geen angst, geen geschreeuw. Ze ging gewoon naast me zitten. Niemand vraagt ooit wat een trol wíl, weet je. Zij wel. ...Mmmpf. Misschien is een vriendje niet zo erg.