Naar inhoud
Portret van Lou
Personage · sinds seizoen 1

Lou

Droomster · 7 jaar

Een meisje van zeven met een dekentje vol levende sterren. 's Nachts vliegt ze ermee naar de Droomtuin, en neemt jou mee.

Over Lou

Overdag is Lou gewoon Lou: zeven jaar, rommelig haar, een tuinbroek en een hoofd vol vragen. Maar zodra de lichtjes uitgaan en de sterren op haar dekentje gaan gloeien, stapt ze een wereld binnen waar bange trollen vrienden worden en rivieren je uitdagen om te durven. Ze loopt nooit weg, ze blijft staan, en juist daarom vertrouwt iedereen in de Droomtuin haar.

Uit het dagboek

Mijn eerste dagboek is vol — drieëntwintig kwallen en al. Mama gaf me deel twee, en het rook naar nieuw papier en naar iets dat nog moest gebeuren. Aan de muur hangt Mira's nieuwste tekening: een ronde kamer vol raampjes van licht. Die kamer heb ik nog nooit gezien. Hoe wist zij dat?

Het Droomhuis is af, en bewoond — door iedereen. Ik stond op de drempel van het Hart, met gouden licht voor me. Maar ik stapte nog niet binnen. Tot na de zomer. Tot in de Droomtuin.

Mijn kamer voelt nu helemaal van mij — een thuis, precies zoals oma zei: je moet het de tijd geven. Het Droomhuis was vol: iedereen was er. En het meisje uit de bergen kwam binnen, met míjn tekening in haar hand. Ik stond op de drempel van het Hart. En ik trok mijn voet terug. Nog niet. Maar ik kom terug.

Vanochtend lag de tekening op mijn nachtkastje — in het echt. Het meisje uit de bergen had teruggetekend: hoge bergen, een dorpje met geel licht, en een paadje tussen haar huis en het mijne. Niet alles is gelogen. Niet alles is waar. Maar het is wel echt gebeurd. Misschien. Tot in de Droomtuin.

Het Droomhuis was af. De poort ging open en ik rende erheen — als eerste, alleen, want ík had het toch gebouwd? Maar het grijs volgde mijn voeten, en Daan begon te vervagen in zijn hoekje. Emma riep: je bouwde een huis voor iedereen, en nu wil je er in je eentje doorheen? Ik ben teruggerend. Naar Daan.

Grijze regenmiddag, ik verveelde me heel erg een beetje. Toen maakte ik een bloemenkroon van de gedroogde bloemetjes van de verhuiskaart. Hij is scheef en één bloem is half — maar de mooiste dingen zijn een beetje scheef, zegt mama. Iets wat verdrietig had kunnen zijn, werd iets moois.

Joep kwam logeren — hij is acht, en dat is best groot. We bouwden een mega-hut over mijn hele bed, met zaklamp en stiekeme koekjes. In het Droomhuis maakten Emma en ik een geheime kamer onder de vloer. Ik wilde een luik; Emma wilde een gordijn. Emma had gelijk. Een gordijn is fijner.

De telefoon was voor mij! Mees — mijn oude buurjongen die altijd op mijn raam tikte. Hij droomt al weken van een tuin met sterren midden op de dag en een gouden licht. Dat is de Droomtuin! En vannacht kwam hij er echt binnen, door het netwerk-raam, honderd kilometer ver. Het huis is niet voor mij. Het is voor mijn gasten.

Opa en oma kwamen kijken. Met oma reeg ik een schelpenketting van mijn Zeeland-schelpen. Eerst wilde ik hem zelf houden — daar was dat koude grijze gevoel weer. Maar ik deed hem om oma's hals: deze ketting heeft de zee gehoord. Dat voelde duizend keer beter dan zelf dragen.

Papa en ik veroverden de stad op de fiets! Een brutale meeuw griste mijn kibbeling zó uit mijn handen — we lachten ons rot. Maar 's nachts werd ik trots, té trots: kijk wat ík heb gebouwd, helemaal alleen. En toen kwam er een grijze vlek op mijn eigen huis. Die maakte ik zelf.

Tik-tik tegen mijn raam! Een meisje, Noor, van hiernaast: kom je buiten spelen? Zomaar, zonder afspraak. Dat kon vroeger nooit, toen ik nog boven sliep. Het is de mooiste uitvinding van de wereld. Eventjes wilde ik mijn kamer niet delen — maar toen voelde ik dat koude grijze, en deed ik tóch de deur open.

Eerste nacht in het huis met de blauwe deur. Mooie paarse kamer, een huisjes-bed met een dakje — en toch kon ik niet slapen. Alle geluiden zijn vreemd. Mama zegt: zoek één ding dat van jou is. Ik heb er meerdere. Dan ben ik rijker dan de meeste mensen, zei ze.

Twee nachtjes zonder papa en mama, met opa en oma in Zeeland. Ik telde drieëntwintig aangespoelde kwallen en zocht een emmer vol schelpen. Er zat een leeg plekje in mijn borst. Maar als je heel goed naar schelpen zoekt, is er geen ruimte meer over om iemand te missen.

Op zolder vond ik Bobbel — mijn allereerste knuffel, met zijn half-afgehangen oor. Eén traan viel precies op zijn kale buik. Ik heb hem toch weggegeven, voor een ander kind dat 's nachts niemand heeft om vast te houden. Maar eerst heb ik hem getekend, zodat ik hem nooit vergeet.

Tikketik — nou ja, plons. Ik viel pal in de modder en twee grote jongens noemden me modderprinses. Mijn wangen prikten van schaamte. Maar 's middags ontsnapte de schildpad en lachte ik tóch. Een goede val, eigenlijk. Helemaal onderuit.

We gaan verhuizen — drie huizen verderop, maar tóch. Mama gaf me een leeg boekje om alles te onthouden. In de Droomtuin staat ineens een lege plek met paaltjes. Daar gaat iets komen, voel ik.

We gaan verhuizen. Maar drie huizen op, dus niet erg, zeggen ze. Het konijn in het behang kan niet mee. Daar heb ik over moeten slikken. Maar ik heb een leeg blauw boekje gekocht, en alles wat ik wil onthouden gaat erin. Beginnend met het konijn.

Er zijn nachten en er zijn nachten. Vannacht bewoog de naald van mijn kompas naar een licht dat ik nog nooit had gezien, heel diep tussen de bomen. En vanochtend lag er een gouden blaadje op mijn nachtkastje. Er gaat iets gebeuren. Iets groots.

Ik werd wakker met een plan en een lijstje van tien gewone dingen die ik kan. Vallen en opstaan. Sorry zeggen. Naast iemand zitten die alleen is. Geen ervan is heldhaftig. Maar samen zijn ze genoeg. Tot in de Droomtuin.

De Dromenvanger was geen ding om te bouwen. De Dromenvanger zijn wíj. Ik vertelde wie ik ben — een meisje dat van haar fiets valt en geen beekjes kan tekenen — en het web ontstond uit alles wat we samen gaven. De Grote Stilte duwde, en stopte.

Mijn medaillon was koud — kouder dan ooit. In de Droomtuin kroop de hele grijze horizon naar het Hart. Ik legde alles neer en er gebeurde niets, en in mijn hoofd kwam een grijze gedachte: ik kan dit niet. Maar achter wolken is altijd lucht.

Een tegoedbon was niet speciaal genoeg, want Emma is speciaal. Dus tekende ik onze herinneringen in een schetsboek — eentje leek op twee aardappels met haar. Bij de aardappels lachte ze, bij de lege pagina's huilde ze. Het beste cadeau laat zien dat je iemand écht kent.

De laatste vlek was de donkerste: een kind op een kale vloer dat wachtte en wachtte tot de hoop opbrandde. Ik kon het niet alleen. Dus zei ik: samen. En ze kwamen, allemaal, de kou in. Zeven. Ze zijn er allemaal.

Daan is veertien maanden en eet álles, ook mijn neus. Hij viel acht keer van de bank en stond negen keer op, zonder één traan. Mama zegt: baby's weten nog niet dat je kunt opgeven. Ik wil nooit vergeten hoe dat voelt — gewoon opstaan.

Emma en ik maakten ruzie over een spelletje — over níks, eigenlijk. Mama zei: sorry betekent dat onze vriendschap belangrijker is dan deze ruzie. Dus schreef ik een briefje. Met een kattenvoetafdruk erop, want Koekie jatte mijn pen.

Mijn beekje wilde niet lukken en mijn doos liep over. Ik schreeuwde tegen Koekie en gooide een kussen en huilde lelijk op de keukenvloer. Mama zei: boos zijn mag. En weet je? Daarna voelde ik me schoon, als een regendag die opklaart.

Twee uur en drieënveertig minuten in de trein. Papa verzon een trein naar de maan, mama een pinguïn-conducteur, en ik noemde hem Kees. Opeens waren we er. Want als je iets moois bedenkt, ben je niet meer aan het wachten.

In het museum stond een beer met één oog achter glas. Kapitein, van een meisje van vroeger. Ik snapte het opeens: dingen zijn niet belangrijk om wat ze zijn, maar om wat ze herinneren. Mijn schatten op het nachtkastje wachten net zo.

Duizend stukjes, zei oma, en ik dacht: dat lukt nooit. Opa zei: eerst de hoekjes, en kijk op een andere manier — elk blauw is net anders. Tegen de avond had de puzzel een gezicht. En een jongen die zich dom voelde, leerde precies dat: drie goed is drie stukjes. Vier te gaan.

De spaghetti verraadde me. Ik was de hele dag een courgette-kleurige hoop in bed. Maar oma zei: soms moet je stilliggen om je gedachten te horen. Dus dat deed ik, de hele middag, met Stampertje op mijn buik.

We hebben twee kittens: Koekie die overal opspringt en Sem die zich overal verstopt. Drie dagen wachtte ik stil op de grond. Toen klom Sem op mijn schoot en snorde. Niet harder proberen — gewoon er zijn. Dat was het.

Mijn nieuwe fiets is veel te groot en luistert voor geen meter. Vijf keer viel ik. De zesde keer reed ik de hele straat uit en het voelde als vliegen. Vallen is niet het einde, het is hoe het begint. Tikketik, tikketik.

Er verschijnen grijze plekjes in de Droomtuin — plekken waar kinderen gestopt zijn met dromen. Brommel zegt dat het mijn taak is om ze terug te halen. Spannend. En een beetje zwaar.

Mijn pyjamabroek hing op mijn kuiten en mijn stoere broek kneep alsof hij boos was. Ik ben gegroeid — flink. Maar in de nieuwe trui met de zilveren ster zag ik in de spiegel gewoon mezelf. Een beetje groter. Nog steeds Lou.

Er zijn nachten en er zijn nachten. Dit was zo'n nacht: mijn kompas knipperde, kort en scherp, alsof het schrok. Morgen begint groep 4, maar ik denk niet aan etuis. Ik denk aan de stilte die ik hoorde toen ik het tegen mijn oor hield.

Al mijn schatten smolten samen tot het Kompas van Dromen — met een klein regenbooghart dat klopt op het ritme van het mijne. Ik ben Droomhoedster nu. Ik blijf dromen, voor ons allemaal. Dat beloof ik. Tot in de Droomtuin.

Disneyland! Ik dacht: dit lijkt op de Droomtuin. Maar hier máákten mensen de magie — ze bouwden het, schilderden het, geloofden het. En vannacht stonden alle vrienden in een cirkel om me heen. Het is tijd, zei de Droommeester. Ik beloofde: ik blijf dromen.

Ik zong en danste in de musical en haalde het — maar ik schitterde niet, ik overleefde. Vannacht moest ik op een gouden Podium van Durf en mezélf laten zien, trillende handen en al. En toen liet ik los, en zong wat uit mijn hart kwam. Eng. En het mooiste dat er is.

Bij Finn vloog er ineens popcorn door de kamer en ik gooide terug — direct raak! Rommelig, gek, geweldig. Vannacht maakten we met z'n allen een vréselijk orkest. Maar samen rommelig is mooier dan alleen perfect.

Mees is weg en mijn medaillon was zo zwaar dat het pijn deed. Vannacht bracht Stella me naar het Bittere Meer. Ik stapte erin en al onze mooie momenten lichtten op als sterren. Het doet nog steeds pijn. Maar nu heb ik ook de lichtjes.

Ik haalde mijn blauwe band! Ik viel zo vaak bij de sparring, maar ik bleef opstaan, keer op keer. En vannacht beklom ik de berg een tweede keer terwijl ik al moe was — en bovenop voelde ik me groter dan de hele vallei.

Ik zei tegen Kai dat híj saai was — mijn stem trilde, maar ik zei het toch. En toen ging ik naast Emma zitten. Ze is helemaal niet saai. De beste dingen zijn een beetje eng, zegt mama. Naar iemand toe lopen ook.

Mama zei: teken niet hoe het eruitziet, teken hoe het vóelt. Dus schilderde ik de Droomtuin in wilde draaiende kleuren — het leek nergens op, en het was precies goed. Mooie rommel, zei mama later. De allerbeste soort.

TAART! Ik las het zélf — en ineens waren het geen losse letters meer maar een echt woord. In de Droomtuin lieten de bevrijde letters dingen gróeien: zeg 'bloem' en er bloeit er een. Lezen is magie. De beste magie.

Eerste jiujitsu-les: BONK, mijn hoofd op de mat, sterretjes voor mijn ogen. Stom, dacht ik. Maar vannacht klom ik een grijze berg en viel ik wéér. En toch stond ik op. Donderdag ga ik terug. Deze keer geef ik niet op.

Mees brak zijn chocoladereep doormidden: de helft is nu van jou. Zo werkt dat toch? Vannacht gaf ik mijn vriendschapssteen weg in een grijze grot. En 's ochtends lag er een nieuw steentje in mijn hand — een ander dan ik weggaf.

Ik ben nu écht Droomhoedster, net als oma vroeger was. Dat betekent dat ik de Droomtuin wakker moet houden — niet alleen voor mij, maar voor iedereen.

Groep 3 en de letters wilden niks worden. En vannacht was de Droomtuin grijs als een oude foto. Max zo moe, Pippa zonder liedje. Ik weet niet hoe, maar ik ga de tuin redden. Dat heb ik beloofd.

Een hele week thuis en alles voelt kleiner. Mijn sleutel is koud, het kompas trilt, en de Droommeester zei: geniet van de rust die je nu nog hebt. Er zijn nachten en er zijn nachten. Deze was er zo eentje.

Mijn laatste avond in Thailand. Bij het kampvuur vertelde ik vréémden over mijn dekentje, over Max en Iris, over de drie sleutels. Iedereen luisterde. En toen zei papa: volgend jaar komen we terug! Dit was geen afscheid. Tot in de Droomtuin.

We liepen náást de olifanten naar de rivier — geen rijden, gewoon samen zijn. Malee, de olifant, raakte mijn voorhoofd aan en sprak in mijn gedachten. En toen knipoogde ze! Echt geknipoogd. Ik draag nu een beetje olifantenwijsheid mee.

Ik stootte mijn teen aan het harde Thaise bed — au, au, au! Kanya rende meteen weg en kwam terug met oma's tijgerbalsem. Het werd warm en de pijn werd minder. In de Droomtuin hield ik mijn voet in de Vijver van Genezing: duizend kleine kusjes.

Phraya, de oudste olifant, koos míj uit. Hij vroeg mijn diepste waarheid, en ik zei het hardop: ik ben bang dat thuis de magie verdwijnt. Toch geloof ik erin. Dáárom kreeg ik de Olifantsleutel. Drie van drie.

Ik proefde durian — ruikt als oude sokken, smaakt als hemel! En in oma's tuin stond een boom met alle seizoenen tegelijk. Ik praatte met hem, net als met de schelp, en bood de moed om nieuwe dingen te proeven. Hij gaf me de Bladsleutel.

Op het Olifanteneiland legde ik mijn hand op een steen — en ik viel zó in een andere tijd. Daar was Malee, die op me had gewacht. Ik ruilde een herinnering van vriendschap voor de Maansleutel. Eén van drie!

Achterop een scooter door Bangkok — de wind warm in mijn gezicht! In een klein tempeltje wist een monnik dat ik droom. Hoe?! Hij wees naar een schildering van duizend jaar oud: een kind met de maan, het blad en de olifant. Mijn drie symbolen.

Ik schaamde me voor mijn roze zwemvest tussen de grote kinderen. Tot Kanya zei: cool vest! Met een snorkel zag ik echte visjes, en een blauwe bleef de hele tijd bij me. Kanya zegt dat dat geluk brengt.

Bangkok is heet als een oven en ruikt naar bloemen en kruiden. Bij een oud kraampje vond ik een waaier die precies leek op die uit mijn droom — en hij voelde warm aan in de schaduw. Toeval bestaat niet, denk ik.

We vlogen voor het eerst met het vliegtuig — zó hoog! En in de Droomtuin wachtte Max met een oude waaier vol gloeiende symbolen. Er begint iets, dat voel ik. Tot in de Droomtuin.

Mama heeft de telefoon vandaag wel duizend keer voor me gepakt — sorry mama. In de Droomtuin had Max een waaier met drie gloeiende tekens: een maan, een blad, een olifant. Een raadsel! Tikketik, tikketik, daar gaan we.

Laatste schooldag! De juf gaf me een zilveren sterretje aan een kettinkje — voor al mijn dromen, zei ze. Vannacht openden we eindelijk de deur met de kristallen sleutel. Daarachter lag het Hart van de Droomtuin. We maakten alle muren tussen de tuindelen weg. Tot in de Droomtuin.

Op school deden we een grote speurtocht vol raadsels. Ik zag dat alle plekken samen een pad vormden naar de muziekkamer — en wij vonden de hoofdschat als eersten! Soms moet je een stapje terug doen om het grote plaatje te zien. Vannacht had ik datzelfde nodig in een labyrint van licht.

In de grote concertzaal mocht ik op het podium! Met een glanzende triangel was ik het vogeltje in 'De Dierentuin'. Toen ik begon te spelen, vergat ik alle mensen — alleen de muziek bestond nog. Vannacht hielpen we een heel theater weer tot leven brengen.

Papa maakte me midden in de nacht wakker voor de meteorenregen. We lagen samen onder een deken in de tuin en telden wel twintig vallende sterren. Bij eentje deed ik een stille wens. Vannacht hielp ik échte vallende sterren opvangen, zodat hun dromen niet uitdoofden.

In de schooltuin plantte ik een klein geel goudsbloempje. Ik noemde 'm Zonnetje en fluisterde dat hij goed moest groeien. Vannacht was Pippa's vallei verdord — en Pippa zelf was ziek. We moesten het water terugbrengen — en toen klaterde de hele vallei weer, en Pippa zong.

Donderdag is muziekles, mijn lievelingsdag. We speelden 'Sterrenlicht' op de xylofoon — rood, geel, twee keer groen. Het bleef de hele dag in mijn hoofd. Vannacht hielp het zelfs om een hele vallei vol stille muzieknoten weer te laten zingen!

Oma nam me mee naar de grote bibliotheek — meer boeken dan sterren aan de hemel! Ik koos 'De Sterrenwandelaar'. Vannacht zaten de boeken in een vergeten bibliotheek allemaal in de war, want de bibliothecaris was vergeten hoe je leest.

Ik tekende een eenhoorn met een regenbooghoorn, en Tim lachte me uit. Maar de juf vond hem juist prachtig, omdat hij anders is. Vannacht ontmoette ik Luna — een echte eenhoorn met precies zo'n hoorn. Ik hang mijn tekening toch op in de keuken.

Mila en ik speelden de hele middag verkleedpartij — prinses en tovenares. Mijn hoed was veel te groot. Vannacht stond ik in een grot vol spiegels die je laten zien wat je bang voor bent. Ik zag mezelf als té verlegen. Maar dat ben ik niet alleen.

Op zolder vond ik oma's muziekdoos met een meisje dat tussen de sterren danst. Mama zegt dat ik 'm mag houden. Vannacht hingen er honderden droomballonnen vast in de bomen — vol met dromen van kinderen. Die moesten wij bevrijden.

Onder water kreeg ik kieuwen — écht waar! Bo en Mara lieten me zien hoe je rustig blijft als alles om je heen in paniek raakt. Tot in de Droomtuin.

Papa zegt dat ik bijna een echte zeemeermin ben. In het zwembad bleef ik héél lang onder water. En vannacht had ik echt een staart, in alle tinten blauw! Ik zwom door een poort waar niemand anders door kon.

Bij de rivier leerde ik dat durven niet in één keer hoeft. Gewoon: één stapsteen per keer.

Op sportdag struikelde ik over een graspol, vlak voor de finish. Quinten stopte met rennen — terwijl hij aan het winnen was! — om mij overeind te helpen — terwijl hij aan het winnen was! Morgen vraag ik of hij in de pauze meespeelt.

De Kriebelbossen kriebelen écht. En bij de Oude Wensboom mag je iets wensen — maar wát ik wenste, dat verklap ik niet.

In het park was een geheim paadje tussen de struiken. Daar zat een jongen op de schommel. Ik durfde alleen te zwaaien. Maar vannacht heette hij Max, en toen durfde ik wél. Vriendschap begint met een kleine hallo, zei mama. Morgen ga ik het proberen.

Vannacht gloeide mijn dekentje voor het eerst. En diep in de vallei woonde iemand die niet eng was — gewoon een beetje alleen. Tot in de Droomtuin.

Vandaag ving ik tien kikkervisjes in mijn rode emmertje. Eentje zwom helemaal alleen — die heet Stipje nu. En 's nachts? Toen ben ik zomaar een grot in gelopen waar een trol woonde. Niet bang. Nou ja, mijn hart klopte wél een beetje sneller.

Vriendjes van Lou