
Emma
Lou's beste vriendin
Lou's beste vriendin uit groep 3 — stil, scherp, en de eerste mens die mét Lou de Droomtuin in durft te stappen.
Over Emma
Emma luistert meer dan ze praat, maar wat ze zegt is altijd raak — en ze tekent prachtig. Waar Lou voelt, ziet Emma. Van verlegen klasgenootje groeit ze uit tot Lou's vaste maatje, en de eerste die naast haar door de Droomtuin loopt.
Uit het dagboek
Het huis was vol en het was af. Lou keek naar het open pad, en deze keer rende ze niet — ze liep. Ga maar, zei ik, wij blijven hier. Ze ging namens iedereen, met ons allemaal achter zich. Dat maakte het verschil. En op de drempel van het Hart stopte ze zelf. Knap, vond ik.
Lou bouwde een huis voor iedereen, en wilde er toen als eerste alleen doorheen. Ik moest haar terugroepen. Soms is een vriend zijn: de waarheid zeggen.
Lou rende naar de poort en het grijs groeide overal. Ik riep haar terug — niet boos, gewoon recht door alles heen: je bouwde een huis voor iedereen, en nu wil je er in je eentje doorheen? Ze stopte. Ze draaide om. Ze koos Daan boven de poort. Dáár was ik trots op.
In de vloer van het Droomhuis zat een naad — daar hóórde iets. Een geheime kamer, onder het huis. Lou wilde een hard luik; ik wilde een zacht gordijn. Een luik sluit je op, een gordijn hou je tegen maar je kunt er altijd zo weer doorheen. Geborgen, niet gevangen. Soms heb ik gewoon gelijk, hè.
Lou stond op het dak: kijk wat ík heb gebouwd, helemaal in mijn eentje. Maar dat is niet helemaal waar, hè. Max deed de muren, Luna de deur, Bo het zeeraam. Ik zei het niet gemeen — gewoon eerlijk, recht voor z'n raap. Onthou dat maar, voor het geval je het weer vergeet.
Ik zag het bij de wc's. Lou deed alsof het niet erg was. Dat is ook stom, zei ik, want het wás een beetje erg. Je hoeft niet altijd dapper te doen tegen mij. Daar ben ik je beste vriendin voor.
Lou stond stil, vol twijfel, terwijl alles grijs werd. Toen vertelde ik haar wat zij ooit tegen mij zei: je hoeft niet alles in één keer te kunnen, je moet alleen het volgende ding doen. Soms geef je iemand zijn eigen woorden terug.
Vannacht kreeg ik een Dromenboek met mijn naam in gouden letters. Op de eerste bladzijde stonden wij tweeën, hand in hand op een heuvel. Ik hoor er echt bij nu. Niet als meekijker — als dromer. De Droommeester zei: twee dromers die geloven zijn onverslaanbaar.
Vandaag stapte ik niet als gast de Droomtuin in, maar als Dromer. Ik kreeg een eigen Dromenboek. Ik hoor er nu écht bij.
Een meisje stond stil in een kamer vol verhuisdozen, in een land dat ze niet kon verstaan. Ik zei niks. Ik ging gewoon naast haar staan, zoals Lou ooit bij mij deed. Soms is dat genoeg. Lou noemt het: welkom in het team.
Iedereen keek naar de wasrol; ik keek naar de vloertegels. Lou zei dat niemand de verhalen echt hoort, alleen het speelgoed ziet. Ik denk dat zij en ik altijd net ergens anders naar kijken. Daarom passen we.
Ik omhelsde Lou het langst van iedereen. Ik ben zo trots op je, fluisterde ik. Zonder jullie had ik het niet gekund, zei ze terug. Maar zij deed het. Mijn dappere vriendin, de Droomhoedster.
Ik ben in een échte droom geweest. En iedereen kende me daar, en vond het fijn dat ik er was. Ik voelde me… bijzonder.
Lou pakte mijn hand, ik keek naar haar dekentje, en ineens stond ik in de Droomtuin — pratende dieren, vliegende verf-vlinders, een gouden podium waar ik zélf zong. Het mooiste moment van mijn leven. Mag ik nog een keer mee? Altijd, zei ze.
Lou zei: het is heel erg. Ik zei niet dat het beter zou worden. Ik zei alleen: ja. Soms is dat genoeg — gewoon naast iemand zitten en het mee-erg vinden.
Lou kwam voor me op toen Kai gemeen deed. Niemand heeft dat ooit gedaan. Voor het eerst voelde ik me niet onzichtbaar.
Iemand zei eindelijk iets aardigs tegen me, op het bankje waar ik altijd alleen zit. Lou. Ze zei: ik weet ook niet altijd wat ik moet zeggen. Toen werd het makkelijk. Stil zijn is niet hetzelfde als saai zijn — fijn dat zij dat ziet.